De toetsperiode ligt achter ons.
Lees- en spellingresultaten zijn vastgelegd en geanalyseerd.
Ook bij de kleuters is het dyslexieprotocol afgenomen.
In vrijwel elke groep zitten leerlingen die onvoldoende scoren.
Bij kleuters richt het protocol zich vooral op auditieve vaardigheden en automatisering.
Deze uitkomsten zeggen iets over het huidige niveau.
Ze zeggen weinig over de latere leesontwikkeling.
Een uitval in de kleuterfase betekent niet automatisch een leesprobleem.
De kans bestaat, maar het verloop blijft onvoorspelbaar.
Tegelijk zien we ook het omgekeerde.
Kinderen met een sterk protocol starten probleemloos in groep 3.
Toch ontstaan er later lees- of spellingproblemen.
Soms al bij M3, soms pas in groep 4.
Het zijn vaak leerlingen die hard werken.
Ze zijn gemotiveerd en taakgericht.
Als leerkracht voel je dat er meer potentie aanwezig is.
Maar dit zie je niet terug in de resultaten.
Didactisch klopt het aanbod.
De instructie is helder en wordt herhaald.
Begeleiding vindt structureel plaats.
Toch blijft de vooruitgang beperkt.
Na de toetsen volgt de evaluatie.
We maken plannen en zoeken naar nieuwe ingangen.
Hoe helpen we deze leerling verder?
Bij kleuters betekent dit vaak extra oefening.
Meer hakken en plakken.
Meer letters aanbieden.
Maar hier ligt een belangrijk aandachtspunt.
Wanneer dit weinig tot geen effect heeft, ligt de oorzaak vaak elders.
Niet in het aanbod, maar in de basis waarop dit aanbod landt.
Een kind kan pas leren lezen wanneer het lijf daar klaar voor is.
Ontwikkeling verloopt van voelen en bewegen naar denken en automatiseren.
Zintuiglijke en sensorische ontwikkeling vormen het fundament.
Alle informatie komt via het lichaam binnen.
De verwerking verloopt van onder naar boven en van achteren naar voren.
Beweging ondersteunt deze neurologische rijping.
Pas wanneer deze systemen voldoende ontwikkeld zijn, kunnen vaardigheden automatiseren.
Evenwicht en proprioceptie spelen hierin een belangrijke rol.
Een stabiele basis maakt ruimte voor complexere vaardigheden.
Denk aan fijne motoriek en visuele en auditieve verwerking.
Wanneer we vaardigheden aanbieden voordat deze basis stevig is, ontstaat stagnatie.
In plaats van extra cognitieve oefening verdient de motorische basis aandacht.
Creëer evenwichtservaringen.
Laat kinderen balanceren, rollen, kruipen en klimmen.
Werk met ballen door te rollen, gooien en vangen.
Gebruik klapspelletjes en ritmische activiteiten.
Ook in groep 3 en 4 vraagt uitval om een bredere blik.
Meer lezen van hetzelfde levert zelden structurele vooruitgang op.
Observeer daarom verder dan de toetsresultaten.
Bekijk zithouding en leeshouding.
Analyseer wat wél lukt tijdens het lezen.
Noteer gedrag, tempo en inspanning.
Neem ook de motorische ontwikkeling mee in je observatie.
Schrijf je een plan van aanpak?
Beschrijf daarin ook de motorische ontwikkeling.
Zet waar nodig MRT of bewuste beweegtussendoortjes in.
Denk aan marcheren, balansoefeningen en de kruisloop.
Laat kinderen de liggende acht tekenen, punttekeningen maken of doolhoven volgen.
Zet ook spellen in zoals Lookylook, Slot Sidderstijn, Dobble of Klik.
Zo werk je mét het lijf.
En ondersteun je het leerproces bij de kern.
Recente reacties